Een werkgever die het advies van de bedrijfsarts opvolgt tijdens de re-integratie van een zieke werknemer, kan alsnog worden geconfronteerd met een loonsanctie van het UWV. Ook als hij geen aanleiding had om aan het advies van de bedrijfsarts te twijfelen. De Centrale Raad van Beroep (CRvB) heeft deze lijn recentelijk herbevestigd (ECLI:NL:CRVB:2026:95).
In de betreffende zaak vroeg een zieke werknemer een uitkering aan op grond van de Wet werk en inkomen naar arbeidsvermogen (WIA). De arbeidsdeskundige van het UWV stelde echter dat de werkgever onvoldoende aan zijn re-integratieplichten had voldaan, waarna het UWV een loonsanctie oplegde. De werkgever ging hiertegen in bezwaar, maar dit werd afgewezen. De werkgever ging tegen het bestreden besluit in beroep en de rechtbank Oost-Brabant verklaarde dit beroep gegrond. Volgens de rechtbank had het UWV de werkgever de loonsanctie onterecht opgelegd (ECLI:NL:RBOBR:2025:2759).
De rechtbank begon met een verwijzing naar rechtspraak van de CRvB in loonsanctiezaken (ECLI:NL:CRVB:2023:221600). Op grond daarvan komt de beoordeling van de re-integratie-inspanningen voor rekening en risico van de werkgever: de zogenoemde “voor rekening en risico” benadering. De rechtbank houdt in haar oordeel echter vast aan haar “nuancering” op deze benadering geïntroduceerd in een uitspraak van 2022 (ECLI:NL:RBOBR:2022:415). Op grond hiervan mag het UWV de werkgever geen loonsanctie opleggen als de werkgever geen reden had om te twijfelen aan het advies van de bedrijfsarts.
De rechtbank verbindt dit aan artikel 65 WIA en het belastende karakter van de loonsanctie. Volgens haar moet worden beoordeeld of van de werkgever in redelijkheid kon worden gevergd het advies ter discussie te stellen. In dat verband zoekt zij aansluiting bij de vergewisplicht uit artikel 3:9 van de Algemene wet bestuursrecht (Awb).
De CRvB is niettemin van oordeel dat de rechtbank een onjuiste maatstaf gehanteerd heeft door af te wijken van de “voor rekening en risico” benadering. Uit de wetsgeschiedenis van artikel 25, negende lid WIA volgt immers dat de re-integratieverplichting volledig op de werkgever rust. Die verantwoordelijkheid omvat mede de kwaliteit van de werkzaamheden van de door de werkgever ingeschakelde deskundigen. De vergewisplicht ziet volgens de Raad uitsluitend op de vraag of het advies van de bedrijfsarts zorgvuldig tot stand is gekomen.
Van een “nuancering” is volgens de CRvB dan ook geen sprake:
“Daarmee komt een inhoudelijk onjuist advies van de bedrijfsarts voor rekening en risico van de werknemer. Anders dan de rechtbank meent, houdt de ‘vergewis’-toets op dit punt dan ook geen ‘nuancering’ in van de ‘voor rekening en risico’-benadering, maar wordt hiermee het risico van een onjuist medisch advies van een door de werkgever ingeschakelde bedrijfsarts verlegd van werkgever naar werknemer.”
De CRvB maakt duidelijk dat het volgen van de redenering van de rechtbank zou leiden tot een verschuiving van het risico naar de werknemer en dat is niet wat de wetgever heeft beoogd. Het risico van een onjuist medisch advies blijft daarom binnen de risicosfeer van de werkgever.
De conclusie is voor nu helder: ook wanneer een werkgever geen reden had om te twijfelen aan het advies van de bedrijfsarts, blijft hij eindverantwoordelijk voor de re-integratie en draagt hij het risico van een onjuiste medische inschatting.
Tussentijds speelt op de achtergrond een mogelijke wijziging van het wettelijk kader. Eind 2025 is het “Wetsvoorstel wijziging toets op re-integratie-inspanningen en WIA-voorschotregeling” ter internetconsultatie voorgelegd. Dit voorstel beoogt het medisch oordeel van de bedrijfsarts leidend te maken bij de RIV-toets. Indien dit voorstel wordt aangenomen (beoogde inwerkingtreding: 1 januari 2028), kan een werkgever uitgaan van het advies van de bedrijfsarts. Dat is voor nu nog toekomstmuziek.